donderdag 06 september 2018

Monetair beleid gaat vooral over macht

“Hoe gaat het met de economie?” Ach, de economie … die abstracte maar kwantificeerbare wereld waarvan de gezondheid en de groei door politici en kiezers wordt nagejaagd.

Door econoom Magali Van Coppenolle, specialiste financieel bestuur en lid van de Vrijdaggroep. Eveneens veschenen op knack.be op 28 september 2018.

“Hoe gaat het met de economie?” Ach, de economie … die abstracte maar kwantificeerbare wereld waarvan de gezondheid en de groei door politici en kiezers wordt nagejaagd. Het is een systeem dat over zijn eigen experts beschikt: de economisten. Zij beschrijven in een technisch jargon de mechanismen van het systeem en laten die als heuse natuurwetten overkomen. 

‘De economie’ neemt in onze samenleving een centrale plaats in, maar slechts weinig burgers spreken haar taal, wat onvermijdelijk tot desinteresse bij deze burgers leidt en afhankelijkheid van de experts creëert. In onze econocratieën worden hele sectoren van het overheidsbeleid gedepolitiseerd: het zijn de experts die de keuzes maken en niet langer de kiezers. Deze depolitisering is bijzonder uitgesproken op het vlak van het monetair beleid. Het woord ‘beleid’ zou eigenlijk al een belletje moeten doen rinkelen: monetair beleid mist zowel de nauwkeurigheid als de neutraliteit van een exacte wetenschap.

Er zijn maar weinig zekerheden in de wereld van de monetaire theorieën. Er bestaat zelfs geen algemeen aanvaarde definitie van het concept ‘geld’: antropologen en politicologen denken er anders over dan economisten die het op hun beurt onderling niet eens raken. Is geld een betaal-, ruil-, spaar- of schuldmiddel? De regels van het islamitisch bankieren verbieden bijvoorbeeld ‘geld dat geld creëert’. Interesten zijn met andere woorden niet toegestaan. De economist Silvio Gesell ontwikkelde bij het begin van de 20e eeuw een concept van geld met weinig of geen kaswaarde dat uitsluitend als betaal- of ruilmiddel zou kunnen worden gebruikt. Ook over de processen op het vlak van geldschepping en geldbeheer woedt een debat waar zelfs de centrale bank van het Verenigd Koninkrijk zich in mengt: is het de centrale bank die geld schept door het opleggen van rentevoeten of zouden de commerciële banken hiervoor zorgen via leningen? De inflatie, d.w.z. de prijsstijging als gevolg van de toegenomen geldmassa of de gestegen hoeveelheid geld in omloop, staat eveneens ter discussie. Volgens het IMF en bepaalde economisten (onder wie Ha-Joon Chang van de Universiteit van Cambridge) is er geen sluitend bewijs te vinden voor het feit dat de prijsstabiliteit die alle centrale banken van de OESO-landen nastreven, steeds hand in hand gaat met economische stabiliteit. 

Het zijn cruciale debatten. Geld, geldschepping en geldbeheer zijn het resultaat van keuzes die een fundamentele impact hebben op de organisatie van onze samenleving en haar machtsstructuren. Gesell wilde bijvoorbeeld een soort geld creëren waarmee de macht van de mensen die geld hebben en opsparen, kon worden beperkt ten voordele van de mensen die goederen produceren en bezitten. Het verbod op interesten is dan weer duidelijk gericht tegen het principe van de kapitaalaccumulatie die in theorie eindeloos kan doorgaan. Onder meer als gevolg van de exponentiële groei die door de deregulering van de financiële markten wordt aangemoedigd, speelt deze accumulatie een belangrijke rol bij de toename van de sociale en economische ongelijkheid in de lidstaten van de OESO. Politiek onafhankelijke centrale banken voeren bovendien programma’s uit waarvan de gevolgen een politieke impact hebben. Hoewel zij haar programma voor kwantitatieve geldverruiming te vuur en te zwaard verdedigde, kwam de Bank of England in 2012 tot de vaststelling dat de mensen die het meest bij haar beleid gebaat bleken te zijn, de 5% rijkste Britten waren.

Als de structuur van onze munten een rol speelt binnen de machtsstructuren van onze samenlevingen, als monetaire beleidskeuzes niet op natuurwetten en exacte wetenschappen steunen, en als hun herverdelingseffecten niet neutraal zijn, moeten we dan met het oog op onze toekomst niet eens ernstig nadenken over ons geld, onze systemen op het vlak van geldschepping en geldbeheer, en de financiële markten die hieruit voortkomen.

Deze denkoefening kan alleen vruchtbaar zijn en tot nieuwe ideeën leiden als we ze buiten het econocratische debat kunnen houden. Enkele weken geleden riep Bruno Colmant op tot een debat rond de privatisering van geld om te voorkomen dat staten zich in de schulden steken via expansionistische monetaire beleidskeuzes (ter herinnering: dit zou in theorie de doelstelling moeten zijn van onafhankelijk opererende centrale banken). Dit debat ging de meest cruciale vragen echter uit de weg: welk soort privatisering en welk soort geld? Wat zou de impact hiervan zijn op de machtsstructuren? Wie zou de keuzes maken op het vlak van monetaire politiek en met welke democratische verantwoordelijkheid? Dit zijn de vragen die ertoe doen en die op een democratische manier moeten worden gesteld. Om tot evenwichtige antwoorden te komen, zou een systeem moeten worden uitgewerkt dat de economische wetenschappen als een hulpmiddel gebruikt en niet als een keurslijf beschouwt.

Het is de hoogste tijd om op basis van heldere inzichten de strijd aan te binden met de extreme technocratisering van onze systemen die de democratische macht inperkt. Dit is nodig om de tsunami aan makkelijke en gevaarlijke oplossingen die het populisme aandraagt, af te weren. Laten we de economische wetenschappen gebruiken als een instrument om discussies op gang te brengen maar laten we de discussies voeren zonder hun jargon te gebruiken. Laten we onze debatten over geld opnieuw politiseren, zodat we nieuwe mogelijkheden ontdekken en als burgers onze verbeeldingskracht kunnen aanspreken om het soort geld te bedenken dat ten dienste van de maatschappij van de toekomst staat.