woensdag 14 februari 2018

Wie is bang van de Europese kiezer ?

Op kerstdag 1950 werd in het tanende Britse koloniale rijk een zekere Andrew Duff geboren.

Pleidooi voor transnationale lijsten in het Europees Parlement, door Brieuc Van Damme en Laurent Hanseeuw namens de Vrijdaggroep (BE) en B2L (FR), pluralistische denktanks voor jongeren van diverse pluimage

Op kerstdag 1950 werd in het tanende Britse koloniale rijk een zekere Andrew Duff geboren. Zestig jaar later zou dit product van de Britse Oxbridge elite en Europees parlementslid één van de meest radicale voorstellen doen om Europa dichter bij haar burgers te brengen : de Europese kieskring en haar transnationale lijsten. De idee is dat elke burger, waar hij of zij ook woont in de EU, kan kiezen voor hetzelfde project en dezelfde personen. Het idee kon toen op weinig bijval rekenen omdat het ervaren werd als het Trojaans paard voor een federaal Europa dat, gezien de solidair te torsen Griekse schuldcrisis van 2010, op weinig steun van de publieke opinie kon rekenen.

Deze politieke abortus had in de analen van de institutionele geschiedenis van Europa moeten eindigen ware het niet dat de pro-Europese Emmanuel Macron het idee nieuw leven inblies tijdens zijn ongeziene campagne. De politieke context is sindsdien zelfs danig veranderd, dat er vandaag (07/02/18) tijdens de plenaire zitting van het Europees parlement in Straatsburg over gestemd wordt.

Dankzij Brexit komen er 73 zetels vrij. Een derde van die zetels zou gebruikt worden om de in het Europese halfrond historisch ondervertegenwoordigde landen, zoals Italië, te compenseren. Een derde zou dan weer in de diepvries gestoken worden in het licht van eventuele toekomstige uitbreidingen. De resterende 27 zetels zouden bijgevolg kunnen worden gebruikt om een Europese kieskring en transnationale lijsten te creëren. De 450 miljoen stemgerechtigde Europeanen zouden bij de volgende verkiezingen van 2019 bijgevolg 2 stemmen krijgen: één voor nationale lijsten, en één voor Europese lijsten. Voor één keer zou politiek geen zero sum game hoeven te zijn.

Pro-Europese krachten verdedigen zo de kans om een echt Europees debat, war van nationale belangen, te kunnen hebben rond maatschappelijke uitdagingen die volgens hen enkel op het Europese niveau efficiënt kunnen worden aangepakt – zoals migratie, klimaatopwarming, energiezekerheid en defensie. Maar ook nu botsen zijn op het scepticisme van de nationalisten die hierrond niet alleen Europese oplossingen schuwen, maar ook bang lijken van een Europees debat. Opmerkelijk is deze keer wel dat de tegenstanders in Vlaanderen niet alleen de gebruikelijke verdachten – N-VA en Vlaams Belang om ze niet te noemen – tot hun rangen mogen rekenen, maar ook CD&V – nochtans al meer dan 70 jaar lang één van de belangrijkste motoren van het Europese project. De christendemocraten zouden loyaler zijn aan het stemadvies van de Europese Volkspartij die ze met Orban delen, dan aan hun eigen politieke overtuiging.

Dat het debat rond de Europese integratie en het bestaan zelf van de Unie zelden au sérieux is genomen door de heersende intellectuele en politieke elite op het continent, is niet gezond. Als een boemerang keert die elitaire consensus rond de bijna wetenschappelijke vanzelfsprekendheid van het Europese project zich tegen het establishment. Gelovers in het Europese project worden zelfgenoegzaam en lui en slagen er niet langer in hun punt overtuigend over te maken bij de twijfelaars, hetgeen de Bremainers in 2016 de das omdeed (en zo paradoxaal genoeg de weg opende voor transnationale lijsten).

Zulke existentiële debatten over het voortbestaan van de Euro of de Unie apart per lidstaat organiseren, doet niet alleen de democratie geweld aan, het is ook niet zonder gevaren. De recente Catalaanse crisis is onder meer het gevolg van een logica van de confrontatie van twee democratieën die zelden of nooit samen in debat getreden zijn rond een onderwerp waarvan de repercussies ver buiten de nationale of regionale grenzen reiken.

Dat is op Europees niveau niet anders. De ontmanteling van de Unie is een standpunt dat wij niet delen, maar is wel een perfect legitieme overtuiging. Dat debat dient echter niet alleen op nationaal, maar ook op Europees niveau gevoerd te worden, waar politici zich tot alle Europeanen kunnen richten, en niet tot de vertegenwoordigers van deze of gene nationale politieke partij.

Uiteraard zullen de sceptici opwerpen dat zulks Europees debat enkel op een theoretisch niveau in het hoofd van een Europees technocraat kan bestaan. Transnationale lijsten worden zo herleid tot een zoveelste democratiseringspoging van een in essentie technocratisch project. En wie weet, misschien hebben de sceptici wel gelijk. Maar wat hebben ze dan nog te verliezen? Als deze transnationale verkiezingen op weinig interesse van de bevolking kunnen rekenen, dan maken ze toch net hun punt? Wie is hier bang van de kiezer: de zelfverklaarde democraten, of de technocraten?